• Alles
  • Columns
  • Verhalen
  • Gedichten
  • Filmpjes

dinsdag 4 juli 2017

Fatsoenlijke woningloze

Alleen in deze kamer kan ik wonen
Nooit vind ik ergens anders onderdak
Mijn slaapplaats hoest ik op uit eigen zak
De echte huizen zijn voor echte lonen

Alleen in deze kamer kan ik wonen
Zolang ik weet dat ik in Amsterdam
Binnen de ring, geen vast contract kan tonen
Is alle woede vruchteloze gram

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat ik gezeten in dit hok in Mokum-Noord
Bekijk hoe deze hippe wijk gesmoord wordt
Ik mij opricht naar de lege Prinsengracht
Met waardeloze huizen, en ik lach
Omdat gerechtigheid mij toebehoort

Geïnspireerd door het televisieprogramma 'Tatataal' met de fantastische rubriek 'Beter dan Gorter', ook wel eens 'Korter dan Gorter' genoemd trouwens, Gorters 'Mei' heeft namelijk 4381 regels.

Ik schreef ook:
  • 'Het huwelijk': 'Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijdlijn / de avond in een klik had weggezogen...' Lees verder
  • 'De supermarkt': 'Natuur is voor de fitgirlscene en vega's / en dan, wat is natuur nog in je land?...' Lees verder
  • 'Sonnet': 'Ik ben een trut in 't diepst van mijn gedachten / ik zie de aarde...' Lees verder
  • '3G': 'Hier zit ik achter mijn gintonic glas / mij onnoemlijk te vervelen...' Lees verder
  • 'Besluiteloosheid': Denkend 'als ik slaap kan ik niet eten / en eten heb ik weer geen tijd voor slaap...' Lees verder

vrijdag 20 januari 2017

De collega

Drie maanden lang liep ik stage bij de Volkskrant. Wat ik meemaakte hield ik bij in een document met de titel 'De journalistieke avonturen van een aubergine'. (Hierom). Dit gebeurde in een van mijn eerste weken.

Lekker in de wind sta ik voorop het pontje van Noord naar het Centraal Station. Ik ben op weg naar Theater Bellevue, de overtocht is een welkome afwisseling met het bezwetende fietsen in de hitte die er op miraculeuze wijze op 13 september nog is. Opeens voel ik een ferme (dit is echt het goede woord, ferm) tik tegen mijn arm.
‘Hee! Collega!’
Ik kijk om. Ik herken de man op zich wel. En aan zijn begroeting kan ik afleiden dat dat waarschijnlijk is omdat hij ook bij de Volkskrant werkt. Wel vraag ik me af waarom hij me zo amicaal aankijkt, maar echt tijd om erover na te denken heb ik ook weer niet.
‘Hee hoi!’ Zeg ik. Ik hoor de blij verraste toon in mijn stem.
‘Was je net ook bij die persconferentie?’
‘Wat?’ (De veerpont maakt geluid, moet je weten)
‘Was je net ook bij die persconferentie?’
‘Nee, nee, ik woon hier. Ik ga naar het theater nu.’
‘Voor een stukje?’
‘Nee, gewoon voor mezelf.’
Ondertussen blijf ik denken. Zou ik moeten weten wie hij precies is?
De Collega houdt een heel verhaal. Hij was bij een persconferentie, gaat naar een ouderavond van zijn zoontje en moet daarna nog naar Den Haag voor een journalistenvisum want dat moet van de chef buitenland, anders kunnen er dingen fout gaat. Het gesprek, waar ook ik mijn deel in heb, vervolgt over landen waar je als journalist alleen met een speciaal visum heen mag.
Voor omstanders op de pont waarschijnlijk een niet heel opmerkelijk gesprek, bij mij nog steeds verbazing. Als hij inderdaad bij buitenland werkt, nota bene een andere redactieruimte, waarom doen we dan zo collegiaal (bijna amicaal) en hoe weet hij überhaupt dat we collega’s zijn?
We nemen afscheid, ‘succes!’ ‘Joe!’ ‘Fijne avond!’ en ik fiets verder. Ik vind het een vriendelijke man. Als ik hem nu tegenkom op de redactie knik ik of steek ik een hand op.

Met Rutger zit ik op het terras in centrum Amsterdam. 15 september, nog steeds absurd warm. ‘Er zit hier een bekende schrijver,’ vertelt hij.
‘Wie?’
‘Peter Buwalda.’
‘Cool.’
Bij het afrekenen aan het eind van de avond, sta ik achter hem in de rij. Ik ben licht gefascineerd door het feit dat hij zulke dunne benen heeft en eigenlijk ook dat hij voor mij in de rij staat.

Vrijdag 16 september. Aandachtig lees ik katern V. Op pagina V9 staat een column van Peter Buwalda. Ik app een foto naar Rutger. Hij reageert: ‘Collega! Je had hem op de schouder moeten slaan. En dan een heel verhaal over dat congres waar je was.’ Hij heeft gelijk, een gemiste kans. Wie weet had ik hem achtergelaten in dezelfde ontgoocheling als de Collega Buitenland mij.

Later bleek Collega Buitenland geen Collega Buitenland. Hij is reisjournalist en werkt bij het magazine.

zondag 6 november 2016

De supermarkt

Natuur is voor de fitgirlscene en vega's
En dan, wat is natuur nog in dit land?
Een hapje alg, de zaadjes van een plant,
Gojibessen, fruit en wat omega's.

Geef mij het slechte, dodelijk eten,
En het zonder passie versgebakken brood,
De suikers, nooit zo fijn als dan ze, bespoten
Vol E-nummers, goed op smaak gekregen

Alles is eetbaar voor wie niets raars verwacht,
Het meeste is te vreten zonder zorgen
Omdat je toch, opeens, bezwijkt aan een infarct.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Hongerig, op een katerige morgen,
Domweg gelukkig, in de supermarkt.

Geïnspireerd door het televisieprogramma 'Tatataal' met de fantastische rubriek 'Beter dan Gorter', ook wel eens 'Korter dan Gorter' genoemd trouwens, Gorters 'Mei' heeft namelijk 4381 regels.

Ik schreef ook:
  • 'Het huwelijk': 'Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijdlijn / de avond in een klik had weggezogen...' Lees verder
  • 'Sonnet': 'Ik ben een trut in 't diepst van mijn gedachten / ik zie de aarde...' Lees verder
  • 'Fatsoenlijke woningloze': 'Alleen in deze kamer kan ik wonen / nooit vind ik ergens anders onderdak...' Lees verder
  • '3G': 'Hier zit ik achter mijn gintonic glas / mij onnoemlijk te vervelen...' Lees verder
  • 'Besluiteloosheid': Denkend 'als ik slaap kan ik niet eten / en eten heb ik weer geen tijd voor slaap...' Lees verder

zaterdag 16 juli 2016

Graag geen flauwekul schrijven


Bij wijze van bijbaantje schrijf ik af en toe teksten voor een contentbureau. Je moet je daar niet teveel van voorstellen, het zijn vaak teksten die niemand leest, maar waar, stel dat er toch eens iemand het leest, niet al te veel onzin in moet staan. Het zijn de teksten die je vindt als je bij webshoppagina’s helemaal naar beneden scrollt of op blogs van websites die puur en alleen bestaan omdat de website dan voller is. Geen teksten om te lezen dus, maar teksten om gevonden te worden op Google.

Het feit dat ik geen publiek heb, maakt niet dat het niet ontzettend leuk is om te schrijven. De pret begint al bij de briefing van de opdrachtgever. Zo zijn er opdrachtgevers die geen flauw idee hebben wat ze aan het doen zijn. ‘Gebruik een specifieke woordenschat. Gebruik geen specifieke woordenschat’ is een veel gebezigde opdracht. Zo werkt het natuurlijk niet, maar het geeft niet. Het zijn de opdrachtgevers die doorgaans niet heel veeleisend zijn. Soms vraag ik me af wat er zou gebeuren als ik gewoon het lorem ipsum zou inleveren.

Veel erger zijn de opdrachtgevers die niet weten wat ze vragen. ‘Schrijf een tekst van 300 woorden met daarin 25 x “naam bedrijf”, 20 x het keyword “Hamburg”, 15 x het keyword “autoverhuur” en 10 x het keyword “autoverhuurbedrijf”.’ En dan om een revisie vragen met het commentaar ‘de tekst leest niet heel prettig, maak de tekst prettiger leesbaar.’ ‘NATUURLIJK LEEST DE TEKST NIET PRETTIG IDIOOT’ typ ik dan. Ik verzend nooit, ik herschrijf de tekst en plak mijn ergernis in het mapje voor het moment dat ik deze blog ga schrijven. Memorabel was ook de keer dat ik van een wielrenwebshop de opdracht kreeg om een tekst te schrijven met het onderwerp ‘fietsonderdelen’. Tot drie keer toe kreeg ik het commentaar ‘de tekst is erg algemeen, maak de tekst specifieker’. Drie keer paste ik één woord aan en leverde de tekst weer in. Toen werd hij geaccepteerd. ‘Hartelijk dank. Precies zoals we verwacht hadden!’ stond erbij geschreven.

Favoriet zijn bij mij de opdrachtgevers die ietwat hulpeloos overkomen. Ik schreef eens teksten over fitnessapparaten en proteïneshakes. In de briefing stond: ‘Geen “lieve” taal zoals “wees lief voor uw rug.” De doelgroep is namelijk de krachtsporter.’ Ik schreef een heel stoere teksten met stoere woorden. ‘Eitwitrijk’ bijvoorbeeld, en ‘spiermassa.’ Dat was goed. Maar het leukst is mijn allerfavorietste opdrachtschrijver, helaas zonder naam, die in elke briefing zet: ‘Graag geen flauwekul schrijven, want directeuren moeten dit lezen.’ Ik vind dit zo onwaarschijnlijk grappig (echt onredelijk grappig) dat ik nu ik het opschrijf weer hardop lach, terwijl ik de briefing toch al zo’n tien keer heb doorgenomen. ‘Graag geen flauwekul schrijven, want directeuren moeten dit lezen.’ Het roept zoveel vragen bij mij op. Mag ik anders wel flauwekul schrijven? Zijn het alleen directeuren die het doorhebben als je flauwekul schrijft? Wat zijn precies ‘directeuren’, wat is dat voor groep? En ben jij er misschien een beetje bang voor?

Verder wordt mij regelmatig gevraagd spatiefouten (vakantie huisje) en spellingfouten te maken (‘helicopter met een c is perfect!’), komen er auteurs bij mijn teksten te staan die ík niet ben en schrijf ik teksten waarvan ik niet wist dat ik het in mij had. Een blog over Chardonnay voordat ik ooit een slok wijn had gehad, een übertrendy tekst over Calvin Klein-onderbroeken vol met English words omdat dat volgens de opdrachtgever stylish overkomt. En, sinds kort, hele reeksen productomschrijvingen van dildo’s, vaginale balletjes en opblaaspoppen. Super netjes en informatief allemaal, want het is voor bol.com, maar toch heb ik naderhand maar even mijn internetgeschiedenis gewist. Om gênante situaties te voorkomen. ‘Ik kan het uitleggen!’

Inmiddels schrijf ik er niet zo vaak meer voor omdat ik een vakantiebaan heb bij de Heerenveense Courant. Gelukkig kwam ik er vandaag achter dat ik niet bang hoef te zijn dat de grappige situaties verdwijnen. Ik had een mail van een vrouw die een heel (slecht geschreven) stuk over cavia’s* had gemaakt. Dat mocht niet in de krant van ons. Waar ik niet aan dacht toen ik antwoordde dat ‘het niet helemaal past binnen het soort artikelen dat we normaal gesproken in de krant plaatsen en dat het dus niet gepubliceerd zal worden’, was dat mijn telefoonnummer standaard onder mijn mailtjes staat. Vandaag werd ik gebeld. Ze kwam vertellen dat ze toch wel heel erg jammer vond. ‘Want cavia’s zijn wel een heel actueel onderwerp, ook in Heerenveen.’

*Wegens privacyredenen is het diersoort gefingeerd.

dinsdag 7 juni 2016

Ik viel uit een touw en moest huilen


Ik ben 21 jaar. Zondag huilde ik omdat iets niet lukte. Het was niet een klein snikje of een symbolische traan, ik huilde echt, als een klein kind. Een klein kind van 21.

Zondag deed ik mee aan de survivalrun in De Knipe. Recreanten, 7 kilometer. Van tevoren was ik wat gespannen, maar ik had er zin in. Het was prachtig weer, ik kan de apenhang en de voetklem. De buurman had mijn zere enkel stevig ingetapet en mijn ouders en broertje stonden met de fiets klaar om mij waar nodig aan te moedigen.

Maar het lukte niet. Nadat ik succesvol 4 meter omhoog was geklommen, 10 meter had ge-apenhangd, swing-overs had gedaan, door banden was gelopen, onder netten was geklauterd, kwam ik niet over een balk heen. Ik was al twee keer tot de balk omhoog geklommen, de derde keer was ik er bijna over, maar viel ik eruit. Ik wist dat het me niet meer zou lukken en ik moest huilen. Niet omdat het pijn deed, - al waren mijn armen keihard – maar uit pure frustratie. Hoezo kon ik dit niet? Een paar jaar geleden kon ik dit wel.

Ik geloof niet dat er veel tranen waren. Ze vielen in ieder geval niet op tussen de modderstrepen op mijn gezicht. Ik wist niet dat ik dit belangrijk vond, laat staan dat ik er gefrustreerd van kon raken.

Ik heb er geen spijt van dat ik daar mijn bandje heb afgescheurd. Het was me niet gelukt, ook niet met een vierde, vijfde of zesde poging. Ik heb geen spijt, maar wel een doel voor ogen: volgend jaar lukt het me. Dan ben ik 22 jaar. 22-jarigen huilen niet.

P.S. Complimenten voor Eline, die op een stukje enteren na alles haalde. En voor broer Wouter, die het godganse parcours twee keer liep.

Update 2017: Dit jaar was ik inderdaad 22, en ik huilde niet:



dinsdag 3 mei 2016

Prince ging dood

Prince ging dood. Ik wist niet echt dat hij nog leefde, maar als zo iemand dan dood gaat, is dat toch erg. Ik kende Purple Rain, bij nader inzien ook Kiss. Ik kende eigenlijk niemand die veel meer nummers kende. Toch was ik 27 april bij de Prince Tribute Project op de Grote Markt. Er hing een zweem van respect, ik voelde me er licht misplaatst. Ik was overduidelijk niet de enige die gewoon even was gaan kijken nu het toch droog was, maar toch voelde het niet helemaal kloppend. Links van me sloegen twee 50+-vrienden een arm om elkaar heen, een paar rijen ervoor veegde iemand al bij de eerste noten van Purple Rain een traan van zijn wang. 'Sorry,' wilde ik zeggen, 'sorry dat ik geen flauw idee heb wie Prince was.'

dinsdag 26 april 2016

Maar éigenlijk is het al morgen

Morgen in het Koningsdag (door mij steevast uitgesproken als koninginneeuhkoningsdag), dus vanavond is het Koningsnacht. Ik zal me daar verder niet te veel over uitlaten (leve de Farao!), maar wel wil ik het even hebben over iets wat onvermijdelijk gaat gebeuren. Iets dat überhaupt onvermijdelijk is als groepen vrienden samen feestvieren en zo de grens van 0:00 passeren. Het betreft de volgende situatie:

Het is een uur of 04:00, een dronken vriendengroep staat licht versuft bij de Febo, lauw broodje kroket in ene hand, plastic beker bier in de andere hand.
Vriend 1: Oh, man, en ik moet dus morgen al om elf uur werken hè.
Vriend 2: Je bedoelt vandaag. Het is al twaalf uur geweest dus het is vandaag.

Het broodje kroket kan best een frikandel of een bamischijf zijn, de tijd, de plaats, de mensen, het maakt allemaal niks uit. Als iemand het over ‘morgen’ heeft terwijl het technisch gezien al ‘vandaag’ is, is er altijd iemand die, met een kop alsof ie iets heel intelligents zegt, antwoordt dat het éigenlijk vandaag is. Waarom doen mensen dat? Dat hoeft toch helemaal niet? Het zijn vast dezelfde mensen die ‘ja’ antwoorden op de vraag of ze een glas willen aangeven en je dan heel triomfantelijk aankijken. Het is irritant, volstrekt onorigineel, maar bovendien ben ik het er absoluut niet mee eens.

Ik heb de volgende pragmatische opvatting over het woord ‘morgen’: Het is pas de volgende dag als je geslapen hebt. Dus als je het om vier uur ’s nachts over ‘morgen’ hebt, betekent dat ‘zodra ik wakker word’, al dan niet met knallende koppijn. Er zijn twee uitzonderingen op deze regel.
1. Als je de hele nacht doorhaalt en dus niet gaat slapen. In dat geval is het ‘morgen’ zodra normale mensen opstaan en aan hun dag beginnen.
2. Verjaardagen. Op verjaardagen is het toegestaan iemand om twaalf uur te feliciteren. Dat is niet zo consequent, maar wel gezellig. (Maar ook dan: ‘morgen’ betreft dan nog steeds je verjaardag. Fijn hè?)

Ik stel voor dat iedereen hier aan mee doet. Vanavond is een mooie avond om er mee te beginnen.

Willem Willy Alexander en Maxima
Máxima stop.

zaterdag 2 april 2016

Nick en Simon


Handtekeningen Nick en Simon

Ik heb een tijdje gehad dat ik op Youtube filmpjes keek van Nick en Simon. Noem het een guilty pleasure. Nick & Simon The American Dream, De zomer voorbij,  de cameraploeg van een onduidelijk tv-programma thuis bij Nick Schilder. Ik vermaakte me er ontzettend mee, ik vond het oprecht leuk. Alleen de liedjes sloeg ik over, daar vond ik weinig aan. Ik keek hooguit de making of.

Ik was lichtelijk gefascineerd door hun onophoudelijke geouwehoer, door hun humor, zelfs door hun dialect. Ik moest me inhouden niet te vaak een gesprek te beginnen met: ‘Ik keek laatst een filmpje van Nick en Simon…’ Want hoewel ik probeerde me er niet voor te schamen, wilde ik ook weer niet overkomen als gekkie.

In die periode (het was maar een periode, het is over, ik vind het nog steeds leuke mannen), kwam ik een filmpje tegen over een vrouw van middelbare leeftijd die de handtekening van Simon op haar rug had laten tatoeëren1. Simon wist dat en was het er helemaal niet mee eens. Hij leek bozig, een beetje ongemakkelijk vooral. De vrouw was er uitzinnig blij mee. Het was een heel naar fragment om naar te kijken, in mijn herinnering.

Ik kan me er alles bij voorstellen dat je fan wordt van Nick en Simon. Dat je een dekbedovertrek met hun hoofden erop koopt, vind ik al iets moeilijker te begrijpen. Maar dat je Simons handtekening laat tatoeëren, dat vind ik niet alleen raar, maar ook benauwend.

Het gaat mij niet om de tatoeage an sich. Dat je iets laat tatoeëren wat veel betekenis voor je heeft, snap ik nog wel. Hier gaat het al een beetje mis, want wat is in vredesnaam de speciale waarde van een handtekening? Maar tot hier is bij mij slechts onbegrip, het benauwende komt nu pas. Dat zit in het waarde hechten aan die handtekening. Het is een soort op-de-foto in extremis. Ik heb al vrij veel moeite met het idee van op de foto gaan met je idool. Begrijp me niet verkeerd, ik heb absoluut niks tegen mensen die dat wel doen, maar ik zou het zelf nooit doen. Niet omdat ik het stom vind, maar omdat het iets intens ongemakkelijks heeft. Je gaat op de foto met iemand die jou niet kent en jij bent daar blij mee. Een handtekening is daar een extreme vorm van, het vastleggen op je huid in plaats van op foto al helemaal. Daar komt nog bij dat Simon er op zijn zachtst gezegd niet echt blij mee was. Hoe kun je nou gelukkig zijn met zo’n tatoeage als jouw idool het zelf vervelend vindt? Alle speciale waarde die die handtekening al had, is dan toch helemaal beneden nul?

Het zit me hoog, merk ik. Dat ik het filmpje zag, is zo’n vier jaar geleden. Soms denk ik er opeens aan terug en heb ik even een knoop in mijn buik. Zelfs het opschrijven kostte me hartgrondige inspanning. Ik vind fan-zijn een beetje eng. Misschien omdat ik het heel erg in de verte wel begrijp. Ook ik keek die filmpjes, stuk voor stuk.

1Ik kan het fragment niet meer vinden. Ik heb niet heel goed gezocht, want ik wil het eigenlijk helemaal niet zien, maar wel een beetje goed.